Londen 2012: Kleine Vrouwen Heersen Op Atletiekbaan

Een topatlete, zo neemt men doorgaans aan, is lang van stuk en heeft met name lange benen. Die zijn bij het overgrote merendeel van alle atletiekonderdelen noodzakelijk om een kans te maken op de overwinning.

Niet waar, zo bewezen de twee meest in het oog springende atletes van het olympisch atletiektoernooi 2012. De Britse zevenkampster Jessica Ennis en de Jamaicaanse sprintster Shelly-Ann Fraser-Pryce toonden meisjes over de hele wereld dat ook kleinere vrouwen het nog ver kunnen schoppen in de atletiek.

Jessica Ennis
Jessica Ennis, winnares op de zevenkamp, deed in Londen de wereld versteld staan. Ze is zo goed in zoveel verschillende onderdelen, dat ze waarschijnlijk een de van de meest complete atletes aller tijden is. Bij de 100 meter horden liep ze zelfs een snellere tijd dan de olympisch kampioene van 2008.

Ennis meet slechts 1,65 meter, een lengte die ternauwernood als gemiddeld kan tellen voor een vrouw. Toch legde ze zeven onderdelen lang haar wil op aan concurrentes die allemaal letterlijk met kop en schouder boven haar uitstaken.

Shelly-Ann Fraser-Pryce
Topsprintster Shelly-Ann Fraser-Pryce haalt net de 1,60 meter. Niettemin is ze een absolute grootheid in de atletiek. Met haar bijzonder gespierde lichaam blijft ze de langbenige dames in de banen naast haar al jarenlang voor. Met name op het koninginnennummer van de atletiek, de 100 meter sprint.

In Londen werd Fraser-Pryce voor de tweede keer op rij olympisch kampioen op die afstand en won ze zilver op de 200 meter en de 4×100 meter estafette. Tevens is ze meervoudig wereldkampioen.

Spierkracht
Lengte is en blijft ongetwijfeld nuttig in de atletiek. Aan het eind van de dag is spierkracht echter toch het belangrijkste. Wie dynamiet in de kuiten heeft, hoeft zich door niks en niemand te laten ontmoedigen.